woensdag 6 februari 2013

Slechts 800 gulden per jaar per schip

De periode 1900-1910 was een absoluut dieptepunt in de geschiedenis van de Zuiderzeevisserij. De gemiddelde besomming van een schip in Vollenhove kon per jaar niet hoger dan 800 gulden worden gesteld. Als men nagaat dat hiervan knechten en het onderhoud van het vaartuig moesten worden betaald, tuigage en netten, voordat de visser er zelf iets aan overhield, dan is het een raadsel hoe deze visserij stand hield. Beknibbelen op onderhoud en op de pof leven bij middenstanders was de enige manier om te overleven. De totale vloot bestond uit ongeveer 110 vaartuigen bevaren door 228 man (ongeveer 35% van de gemeenschap van Vollenhove die 1700 zielen telde). Direct of indirect afhankelijk van de visserij was zo’n 85%.
De neiging bestond om over te stappen op goedkopere productiemiddelen en over te stappen van staand op gaand want. Staande netten waren immers duurder dan sleepnetten. Ook de opkomst van de Vollenhover bol, kleiner en goedkoper dan een schuit, was een teken in deze richting. Het aantal grote vaartuigen, schuiten en botters nam af en het vlootje punters en bollen nam fors toe.

Op de foto De Vollenhover bol.

maandag 4 februari 2013

Mannen die breien en aanpakken

Vader Croes beoefende tal van visserijen en bezat veel soorten viswant. Wat niet direct werd gebruikt, lag en hing opgebost op zolder. In de wintermaanden werd het viswant vernieuwd, nagekeken en gerepareerd. "Wij waren veel drukker ’s winters dan in de zomer, dan zaten we met z’n allen te breien. Eerst die haringnetten klaar maken, nieuw instellen. Ansjovisnetten ’t zelfde, botnetten. Van vader moesten we ’s morgens al beginnen en niet eerder d’r af of dat strenkien moest af wezen."
Na het overlijden van zijn vader, hielp de familie het bedrijf gaande te houden. "Dat is zo mooi in Vollenhove. ’n Broer van mien moeder had zes grote jongens, dus mien broer Derk die ging over naar mien oom en wij kregen d’r één van 22. Die ging met mien oudste broer van 15 … naar zee. Ik ging als derdemannetje [mee]. …het was een hard leven hoor!"

Op de foto zien we een volwassen Luite Croes en knecht Klaas Vis. Ze halen de dwarskuil in en er is zo weinig wind dat ze de bezaan bij hebben laten staan. De foto is omstreeks 1937 gemaakt en laat zien dat de lading achterin een bons doorgaans dwarsscheeps lag, in het midden steunend op een balk.

vrijdag 1 februari 2013

Van de wal op de bun

Luite Croes (1912-1987) groeide op in een gezin met twaalf kinderen, waarvan vier jongens. Vader Hendrik overleed in 1922 toen ten gevolge van een lelijke val in zijn schuit, de VN 24. Hij had ter viering van een geweldige vangst wat te veel borreltjes gedronken en toen is hij van de wal aan boord gevallen, op de bun. Daarna liep hij moeilijk en uiteindelijk is hij eraan overleden.
Luite was blij dat hij als tienjarige al mee naar zee moest want hij had astma en op zee had hij geen last van deze kwaal. Naar eigen zeggen groeide hij door zijn eetlust over de astma heen "Overeten hè, ik at gewoon bij ’t brood ’n stuk of tien, twaalf haringen op." Maar eigenlijk was hij toen nog te jong om al voltijds naar zee te mogen. ’s Winters ging hij naar school en kreeg zo drie jaar lagere school. Zijn moeder kreeg nog twee proces-verbalen van vijf gulden elk omdat ze hem te vroeg van school af had gehaald.

Op de foto De VN 24.