vrijdag 3 januari 2014

‘Coetsjoe’ voor het tanen der kuilen

Om de veertien dagen moesten de kuilen (=netten, red.) getaand worden. Tanen is het conserveren van visnetten, zeil of touw met cachou (of coetsjoe) om verrotting door schimmels en bacteriën tegen te gaan. Het tanen werd gedaan in een taanketel. De overgang van hennep naar katoen bracht problemen met zich mee. De schippers klaagden dat hun netten te snel verrotten. De taanbazen dachten aanvankelijk dat dit lag aan het oogsten van het katoen in een te nat jaargetijde, maar kregen uiteindelijk door dat de kuilen te lang in het kokende water werden gelegd en daardoor “gaar” werd gekookt. Nadien kookten ze de kuilen maar een kwartiertje en de problemen verdwenen als sneeuw voor de zon.

De botter Jaap ‘Butter’ zal twee getaande kuils aan boord brengen (opnamen van Henri Berssenbrugge, 1926)

dinsdag 31 december 2013

Let op je centen in Amsterdam

Willem Toering kocht in 1899 een botter, de LE 62, van de weduwe van een zekere Hein Zijl. Die botter kostte toen ongeveer 1100-1200 gulden. Hij ging met de nachtboot over naar Amsterdam en zo naar Bunschoten. Tja, dan moest je door Amsterdam en daar woonden veel misdadigers. Maar daar had Willems vrouw het volgende op gevonden. Op zijn hemd naaide zij een zakje, daar zat het geld in. Het klepje werd dichtgenaaid, dus dat moest hij stuk snijden om bij het geld te komen.
Wybrand Scheffer voer in Bunschoten op die botter en verhuisde met zijn gezin mee naar de Lemmer. Scheffer werd zo Willems eerste knecht.

De LE 62 in de Binnenhaven van de Lemmer.

vrijdag 27 december 2013

Schijtbleik voor het aalwant

Op de Zuiderzee gebruikten ze voor het aalwant spiering, bliek, garnaal of dikkop als aas. Bliek werd het meest gewaardeerd, want daar ving je de dikste aal mee. Bliek, of bleik op z’n Volendams, is jonge haring die vóór de ansjovistijd maar kort te vangen is. Vlak voor de ansjovistijd kwam de geep en die vrat alle bliek op; dan had je een “lege zee”. Pas na de ansjovistijd kwam er weer bliek, maar die groeide heel snel en was maar korte tijd geschikt om mee te azen. Na een maand waren ze al te grof en noemden ze het “schijtbleik”.

Het spleten (ontwarren van het verviste hoekwant en het op spleten zetten van de haken: red.) van het aalwant