maandag 11 maart 2013

Vis, vis en nog eens vis, een eentonig menu

Wat nodig was aan eten en drinken als je voor langere tijd van huis ging, werd in de ‘skutemaande’ aan boord gebracht. De mand werd ’s zaterdags mee naar huis genomen en zondagsavonds ging hij weer mee aan boord; ‘moeder’ had er inkopen voor gedaan. Soms zat er wat extra’s in, een pondje bruine suiker bijvoorbeeld, wat je anders niet had.
Wat ging er zoal in de mand? Een half roggebrood, rijst, spek of vet en een beetje groente. Witbrood bleef maar twee dagen goed, het roggebrood kon je veel langer bewaren, onder de kooi, daar waar het wat koeler was. Het brood was halverwege de week meestal op en daarna werd er rijst in water en vet gekookt. Het middagmaal bestond uit vis met aardappelen, boter en mosterd. Soms aten de mannen ook bonensoep: bruine bonen, een beetje rijst en een rookworst. De andere dagen van de week was het allemaal vis, ’s morgens met brood, ’s middags met aardappelen en ’s avonds weer met brood. Het was hooguit de vangst die wat afwisseling kon brengen in het menu: bot, snoekbaars, baars of blei. Haring werd gebakken of gerookt, met peper en zout. Dat roken werd aan boord gedaan, door boven de schoorsteen een ton op de plecht te zetten en de vuurduvel op te stoken.


Op de foto een maaltijd aan boord van de VN 110, Simon Spit met knecht Kees Klappe (ook wel Keesje de Fluiter).

donderdag 7 maart 2013

De Vollenhover bonsen en bolletjes

Halverwege de negentiende eeuw bestond de Vollenhover vloot grotendeels uit schuiten (kleiner dan die uit latere tijd). Dit scheepstype werd ook wel bons genoemd. Ze werden gebouwd op twee werven in Blokzijl en na 1869 ook in Vollenhove, Kampen en Hassel.
De Vollenhover Jan Kroese deed onderzoek naar de meest gewenste diepgang van de vaartuigen. De eerste ‘visaak’, zoals Kroese het zelf noemde, werd in 1902 geproduceerd. Het was een zeewaardig scheepje met een vaste plecht en onderkomen. De schuiten gingen de hele week weg, maar de walvisserij werd gedaan met pluten, punters, dat visaakje en met bolletjes.
Een bolletje is een algemeen gebruikte benaming voor een klein vaartuig en dat leidde ertoe dat Kroese’s visaak al snel bekend werd, op z’n Vollenhoofs, als bollegien. Het nieuwe type bleek te voldoen, want er verschenen geleidelijk meer bolletjes in de vloot. Doordat ze echter volkomen toegesneden waren op de plaatselijke omstandigheden, zag je ze bijna niet buiten Vollenhove.


Op de foto: De werf van Kroese in vol bedrijf.

woensdag 6 maart 2013

'Daor kriegst van in de rugge'

De hoekwantvisserij op paling en bot had in Vollenhove weinig te betekenen. Sommige vissers visten maar twee, drie weken per jaar met hoekwant. Het gebied zou daar niet geschikt voor zijn. “Ze beten niet” volgens de geïnterviewden.
Na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 deed het aalhoeken meer opgang, onder meer omdat de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet en de Visserij-Inspectie daar veel propaganda voor maakten. Soms kon geen spiering worden gevangen om als aas te dienen en moest het azen met wormen gebeuren. “Ja, we hebben ’t hier ook ’n veertien dagen gedaan, maar dat is rot werk. Moet je ’s nachts met ’n lantaren die dingen zoeken. Och jongen, daor kriegst van in de rugge!”.


Op de foto een hoekwantvisser bezig met de beug.