maandag 18 maart 2013

Van de turfwinnerij naar de Zuiderzeevisserij

Rond 1800 stelde de Zuiderzeevisserij in De Lemmer weinig voor. Er was wat fuikenvisserij op paling, bestemd voor de export naar Engeland, maar daar bleef het ook bij. Pas aan het einde van de negentiende eeuw zette zich een sterke uitbreiding van de Zuiderzeevisserij in. Dit kwam vooral omdat de turfwinnerij in Follega, Echten en Oosterzee verloren ging. In de ontveende gebieden ontstonden waterplassen die aan rietsnijders en binnenvissers werk gaven. Meestal ging het om een combinatie van werkzaamheden, ’s winters rietsnijden en ’s zomers vissen. Na 1880 was er in het gebied rond De Lemmer hoge werkloosheid doordat steenkool en petroleum het wonnen van de turf en doordat melkveehouders concurrentie kregen van margarinefabrikanten en buitenlandse boterproducenten.
Een uitweg werd gezocht in de visserij. Velen trokken naar het buitenwater, de Zuiderzee. In 1850 telde De Lemmer 10 vissers, in 1882 24 en in 1905 waren er al 93 vaartuigen met nog meer vissers. In 1883 werden machinaal gebreide netten in gebruik genomen voor de haring- en ansjovisvisserij. Dit gaf ook mensen zonder schuit de gelegenheid om op kleinschalige wijze, dicht bij de wal te vissen. De helft van de bevolking raakte zo direct of indirect bij de Zuiderzeevisserij betrokken. Toch zou ook de Zuiderzeevisserij vanaf 1905 een neergang kennen en waren de inkomsten voor de vissers bedroevend laag.


Op de foto zien we de drukte in de haven. De ansjovisvisserij gaf aan veel handen werk.

vrijdag 15 maart 2013

Vissen met de zegen

De familie Poepjes stamt uit de omgeving van het Tjeukemeer, ten noordoosten van De Lemmer. Van oorsprong waren het binnenvissers, rond 1900 gingen ze zich op de Zuiderzee richten. Siebe Poepjes, geboren in 1908 en zoon van Lykele Poepjes, was de derde zoon in een gezin met zeven kinderen. Siebe viste altijd samen met zijn broers. Ze deden aan bothoeken, fuikenvisserij op aal en paling en haringvisserij. Belangrijk voor de broers was het vissen met de haringzegen. Geruime tijd waren ze de enige vissers in De Lemmer die hier gebruik van maakten. Bekend met het zegen vanuit de binnenvisserij, hadden ze het vistuig aangepast voor gebruik op de Zuiderzee.
Van de visserij op het IJsselmeer hadden ze geen hoge verwachtingen. “Dood water wordt dat, zeien we almaar.” Ze hoopten na de afsluiting van 1932 aan de buitenkant van de Afsluitdijk door te kunnen gaan met de haring- en ansjovisvisserij. Maar tot hun verrassing ging het in het IJsselmeer heel goed met de paling en de snoekbaars. Dat de palingvisserij op het IJsselmeer na verloop van tijd zo winstgevend zou worden had niemand gedacht. Omdat de bedrijfsactiviteiten werden verlegd, verhuisden de familieleden Poepjes vanaf 1934 allemaal geleidelijk naar Makkum.
Omdat de Waddenzee voor de oorspronkelijke Zuiderzeeharing geen paaimogelijkheden bood, stierf dit visje na verloop van tijd uit. De vissers bleven voor een deel van de verdiensten dus aangewezen op de paling en snoekbaars van het IJsselmeer!


Op de foto Siebe Poepjes.

woensdag 13 maart 2013

De op- en neergang van de Vollenhover vloot

Buiten het verplichte registratieteken en –nummer droeg geen enkel vissersvaartuig in Vollenhove een naam. De schuiten of bonsjes vertoonden een uniformiteit qua tonnage (altijd 16) en viswant. Steeds ging het om haringnetten, spieringnetten, botnetten en dwarskuil. Alleen het ansjoviswant vertoonde variaties. En zijden botnetten vond je alleen bij bolletjes en punters en een paar punters visten met (paling-)fuiken.
In 1886 bestond de Vollenhover vloot uit 107 schepen, in 1907 waren er 179 vaartuigen geregistreerd, 64 boten gebruikt voor het ansjovisvissen, dertien punters, twee bolletjes en 108 bonsjes (visschuiten). Aan de hand van het archief van de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet weten we dat er in 1937, dus na de afsluiting van de Zuiderzee, nog maar 54 vaartuigen over waren. Toen begon de visserij op snoekbaars vruchten af te werpen!


Op de foto uitzeilende schuiten en op de voorgrond de VN 29.